RED SQUARE staat voor

 

LOG IN

 

Uw winkelwagen is leeg.

 

Zoetwaterparels ontstaan in mossels, die in meren worden gekweekt.

Het kweken van de meeste zoetwaterparels gebeurt door gebruik te maken van een weefselimplantaat. Dit weefsel is afkomstig van een andere mossel dan dewelke de parel gaat produceren, en bestaat uit een stukje epitheelweefsel, dat uit de wijde vlezige mantel van de mossel wordt gehaald.

Deze epitheelcellen hebben als natuurlijke functie de productie van parelmoer. Zodra het stukje epitheelweefsel van de vreemde mossel in een incisie in de mantel van de andere mossel is aangebracht, begint deze laatste mossel met het inkapselen van dat vreemde stukje weefsel. Als dat inkapselen is voltooid, bevindt het weefsel zich dus in een soort zakje waarin de parel zal worden gevormd: het parelzakje.

Daarna begint dit parelzakje een laagje conchioline (een soort brandzalf, die tevens dienst doet als metselspecie voor de laagjes aragoniet) af te zetten en vervolgens een laagje aragoniet (een kristalvorm van calciumcarbonaat). Dit proces blijft zo doorgaan: dan weer een laagje conchioline, dan weer een laagje aragoniet-kristallen en zo verder.

Op die manier vormt zich om het geïmplanteerde stukje epitheelweefsel een parel. Die bestaat dus geheel uit laagjes van conchioline met aragonietkristallen.

Gedurende het proces van inkapselen verteert het oorspronkelijke stukje epitheelweefsel meestal, vandaar dat men ook wel eens van 'kernloze' zoetwaterparels spreekt.

De snelheid van het creëren van zoetwaterparels zorgt voor unieke vormen en kleuren (van wit tot roze).

 

driven by Drupal - powered by iFolks